Hoe ziet het IPC eruit?

De structuur

Het IPC heeft een vaste structuur. In elk thema zullen de kinderen deze structuur in vaste volgorde doorlopen. Deze structuur geeft de kinderen en de leerkracht houvast en bevordert het leren.

Dit is de sctructuur van het IPC

Thema's/units

Het IPC werkt vanuit zogenaamde units of work (projecten). Voor elke bouw zijn speciale units ontwikkeld die aansluiten op de ontwikkelingsfase en belevingswereld van het kind. Een unit of work bestaat uit een centraal thema (bijv. Olympische spelen, vakantie, speelgoed, tijd-detectives) en heeft een aantal leerdoelen. Hieruit komen de leeractiviteiten voort.

In elk thema komen verschillende vakgebieden aan de orde, zodat de kinderen ook leren op verschillende manieren tegen een onderwerp aan te kijken. Er wordt altijd gezocht naar de verbinding tussen historische, geografische, natuur/technische aspecten. Beeldende vorming wordt ook gekoppeld aan de units.

De activiteiten zijn zo ontwikkeld dat aan verschillende talenten en vaardigheden van kinderen aandacht besteed kan worden. Door het aanbieden van thematisch onderwijs is er veel ruimte voor de eigen inbreng van kinderen bij de inhoud en de vormgeving van het leren. In de rol van de leerkracht zal de nadruk komen te liggen op het faciliteren van het leren in plaats van het klassikaal doceren. In de meerderheid van de units wordt aandacht besteed aan de relatie tussen het onderwerp en Nederland. Op deze manier wordt de leerstof zodanig gericht dat zowel aan de kerndoelen van de Nederlandse Inspectie als aan die van het IPC wordt voldaan.

Mileposts

De leerdoelen van het IPC zijn geformuleerd voor 4 groepen (mileposts).

 

Early years:      groep 1,2

Milepost 1:       groep 3,4

Milepost 2:       groep 5,6

Milepost 3:       groep 7,8

Deze indeling zal ervoor zorgen dat er nog meer tussen de groepen samengewerkt zal gaan worden.

Toetsen

Bij het IPC hoort een toetssysteem, het Assessment for Learning. Dit is er met name op gericht informatie te verzamelen die zowel de leerkracht als de kinderen helpt om het volgende stapje in het leerproces te zetten. Daarnaast brengen we op verschillende manieren in beeld wat er aan kennis is opgedaan (toetsen, werkstukken, spreekbeurten,etc.). Alle leerlingen houden gedurende hun hele schoolperiode een portfiolio bij waarin de belangrijkste producten en assessments worden opgeslagen. 

Meervoudige intelligentie en hersenvriendelijk leren (brainfriendly learning)

Een belangrijke reden voor de invoering van het IPC voor veel scholen is het feit dat in dit curriculum nieuwe inzichten verwerkt zijn over hoe kinderen leren. Negentig procent van wat we weten over de werking van onze hersenen komt uit onderzoek van de afgelopen vijftien jaar. Deze nieuwe kennis heeft ook invloed op het onderwijs. Het IPC is gebaseerd op deze nieuwe kennis. Er worden binnen het curriculum activiteiten ontwikkeld die rekening houden met meervoudige intelligenties, emotionele betrokkenheid, geheugen en leerstijlen van kinderen.

Brainfriendly learning is de verzamelnaam waaronder een aantal aspecten valt:

Meervoudige intelligentie
Rond 1982 lanceerde Gardner, een Amerikaanse wetenschapper het begrip meervoudige intelligenties. Met het begrip intelligentie wordt niet bedoeld “Hoe slim ben je?” maar: “Hoe ben je slim?”.

Gardner onderscheidt een achttal talenten waar personen op gericht kunnen zijn.

Het IPC neemt deze talenten als uitgangspunt voor activiteiten en zorgt dat op alle talenten een beroep wordt gedaan. Kinderen krijgen informatie aangeboden die afwisselend visueel (zien), auditief (horen) en kinesthetisch (bewegen, voelen, ervaren) is. Zo wordt rekening gehouden met verschillende leerstijlen. 

Slow thinking
Dit is het principe dat onderschrijft dat wanneer personen complexe processen willen begrijpen, hier extra tijd voor nodig is. Het onderwijs moet zo zijn ingericht dat kinderen tijd krijgen om leerstof te laten bezinken en hier later op terug te komen.

Meer informatie over het IPC is te vinden op: www.ipc-nederland.nl